Vandaag GEDICHTENDAG

Vandaag is het Gedichtendag. In stations en bibliotheken worden boekjes met gedichten uitgedeeld. Tal van initiatieven proberen de liefde voor de poëzie over te brengen. Waar is Wim Helsen gebleven met zijn Man bijt hond-oproepen tot ‘de vrienden van de poëzie’? Zelf ben ik in het imposante Dagboek van een dichter 1979-2007 van Leonard Nolens aan het lezen. Nolens is zonder meer een van onze bekendste eigentijdse Vlaamse dichters. Ik lees zijn dagboek op het ritme van mijn agenda maar stip nu en dan treffende passages aan. Nolens is een activist van de poëzie. Of wat dacht u van het volgende:     

 

“Er is bij mijn weten geen enkele wetenschappelijke of artistieke discipline waarin zoveel facetten van de menselijke expressie getotaliseerd worden: het gedicht schildert en denkt, het zingt en calculeert, het danst en belijdt, het houwt zijn harde beelden en creëert een filmisch fluïdum, het schreeuwt en zwijgt, het huldigt en corrigeert en doorbreekt de traditie waarin het zich plaatst, en het betrekt de zelfreflectie en de zelfkritiek in zijn genesis.” (p. 51)

 

“Van alle artistieke disciplines kan alleen het gedicht (een tekst) in zijn totaliteit worden doorgegeven. Het gedicht – en eventueel ook een verhaal, een roman – is de enige artistieke uitdrukkingsvorm die een ander zich volledig kan toe-eigenen en die hij integraal kan reproduceren zonder een beroep te moeten doen op externe hulpmiddelen.” (p. 52)

 

“Het gedicht kun je letterlijk in je omdragen, de partituur zelf wordt vlees en bloed en werkelijkheid van de geest. Nergens wordt de consument in zo’n hoge mate medeproducent als in het gedicht, omdat het gedicht altijd gemaakt is van wat de lezer zijn essentie uitmaakt, namelijk taal. Wie een gedicht vanbuiten kent, wordt én de maker én de ontvanger én de uitvoerder van het gedicht. En daarom, omdat het gedicht de meest vergeestelijkte uitdrukking is, de pure verbinding van pneuma en logos, is het zo onverwoestbaar.” (p. 52)

 

“Dichters zijn kinderen die hun zandgebakjes tonen aan de onverschillige volwassene. Deze kijkt er even naar, knikt quasibemoedigend, maar in zijn blik leest het kind: ‘Ik kan er niet van eten,.’ Maar de volgende dag staan er nieuwe gebakjes klaar, to ook het kind volwassen is en eindelijk een echte pasteibakker wordt en geld krijgt voor zijn waar.” (p. 139)

 

“Het gedicht is geslaagd als het een zeker gewicht bezit, of zoals de Fransen zeggen van goede wijn: il a du corps. Een goed gedicht heeft gewicht als het veel gezichten heeft, die toch allemaal staan in een geheim verband, zoals ook het individu bestaat in en uit vele vormen.” (p. 173)

Gekoppelde foto´s

Er zijn geen gekoppelde foto´s


Bijlage(n)

Er zijn geen gekoppelde bijlagen