Als Eerste ondervoorzitter van het Parlement mocht ik de feestelijke zitting openen. Mijn speech kan je hieronder nalezen:

Collega’s uit het parlement,

Dames en heren,

Goedemiddag,

 

Van harte welkom in het Vlaams Parlement.

Het eerste jaarverslag van de Commissie van Toezicht voor jeugdinstellingen mogen inleiden is een hele eer. Het Vlaams Parlement heeft een belangrijke rol gespeeld bij de effectieve opstart van de Commissie van Toezicht.

De eerst aanzetten en hoorzitting hierover in de commissie welzijn, volksgezondheid en gezin  vonden plaats in de zittingsperiode van 2009-2014.

Ook het Kinderrechtencommissariaat zelf publiceerde in 2010 een uitgebreid dossier met als titel “Binnenste, buiten. Rechtswaarborgen van minderjarigen in detentie doorgelicht”. Ook dat werd hier in het Vlaams Parlement voorgesteld. Daarin vroeg het Kinderrechtencommissariaat meer aandacht voor inspectie, de supervisie en monitoring van de gemeenschapsinstellingen en de Commissie van Toezicht was een noodzakelijk sluitstuk. 

In 2016 kwam het parlementair initiatief in een stroomversnelling. En op 25 januari 2017 keurde het Vlaams Parlement het decreet over de Commissie van Toezicht voor jeugdinstellingen goed en dat op initiatief van oa de parlementsleden Katrien Schrijvers, Lorin Parys, Martine Taelman en Tinne Van der Vloet.

Er werd ook beslist de opdracht van het Kinderrechtencommissariaat uit te breiden en de organisatie van de commissie hierbij onder te brengen.

Minderjarigen tijdelijk van hun vrijheid ontnemen, is een ingrijpende maatregel.

In een gesloten opvang leven jongeren vaak in een strakke structuur met een uitgesproken gezags-en machtskader. Die bijzondere manier vraagt om een bijzondere rechtsbescherming van deze jongeren. Door een Commissie van Toezicht wordt het mogelijk dit ook goed op te volgen.

En het gaat wel over een grote groep jongeren die jaarlijks de instellingen doorlopen. In Vlaanderen is er plaats voor 332 jongeren in de gesloten publieke jeugdinstellingen: de drie gemeenschapsinstellingen met hun campussen en het Vlaams detentiecentrum De Wijngaard. De vier besloten private instellingen of proeftuinen kunnen samen 35 jongeren begeleiden.

In elke organisatie ontstaan vaste gebruiken of routines.

Soms zijn ze uitgeschreven - al dan niet in kwaliteitshandboeken - maar heel vaak zijn ze er ook gewoon zonder dat er veel over gezegd wordt.

Gebruiken of routines zijn niet per definitie slecht; zij zorgen voor een zekere mate van voorspelbaarheid in het dagelijkse (samen)leven.

Dit is niet anders voor de jongeren over wie het hier vandaag gaat: jongeren die één of andere vorm van vrijheidsbeneming ondergaan in voorzieningen.

Het reilen en zeilen in deze voorzieningen zoals gemeenschapsinstellingen steunt mee op gebruiken die al dan niet als huisregels zijn voorgeschreven.

Ook dat hoeft op zich niet slecht te zijn. We willen jongeren en gezinnen die hun leven terug op de rails krijgen én dat veronderstelt onder meer stabiliteit en een zekere regelmaat.

Vrijheidsbeneming moet zeer uitzonderlijk zijn.

Het Kinderrechtenverdrag wijkt hierin niet af van andere mensenrechtenverdragen. Als vrijheidsbeneming zeer ingrijpend is voor volwassenen, dan is het dat a fortiori voor jongeren. Vrijheidsbeneming kan nooit evident zijn.

Die bijzondere context vraagt, meer dan elders het geval is, om bewustmaking rond bepaalde gebruiken:

  • Gebruiken die soms ontdaan zijn van hun finaliteit en die eigenlijk enkel nog vanuit de macht der gewoonte kunnen worden verantwoord.
  • Gebruiken die banaal zijn en misschien zelfs geen klacht waard zijn, maar die, opeengestapeld als ze zijn, zwaar kunnen wegen, niet enkel op een individuele jongere, maar ook op leefgroepen en begeleiders.
  • Gebruiken die normconform gedrag beogen, maar die de jongeren niet noodzakelijk sterken in het stellen van normconform gedrag buiten de muren van de instelling.
  • Gebruiken die wél een uitgesproken of weloverwogen finaliteit hebben, maar waarbij de blik op een minder ingrijpend alternatief wordt vertroebeld. 
  • Of nog, gebruiken die zonder onderscheid gelden om iedereen toch maar gelijk te behandelen. Zij kunnen dus op gespannen voet staan met de verplichting van artikel 3 IVRK om bij elke beslissing het belang van het kind de eerste overweging te laten zijn. 
  • Maar ook - laat ons eerlijk zijn - gebruiken die simpelweg samenhangen met de beschikbare middelen en de draagkracht van de voorziening en haar medewerkers.

Dames en heren, dat bewustzijn over gebruiken loopt als een impliciete rode draad doorheen het eerste jaarverslag van de Commissie van toezicht met betrekking tot voorzieningen voor vrijheidsbenemende opvang van kinderen en jongeren, de officiële naam van de Commissie van toezicht.

De hoofdopdracht van de Commissie van toezicht is toezien op de bejegening in ruime zin van de betrokken kinderen en jongeren, waaronder de eerbiediging van de rechten uit het IVRK. Dit toezicht is geen ad hoc-toezicht: het wordt ter plaatse uitgeoefend door een persoon die de voorziening minstens één keer per maand onaangekondigd bezoekt, de maandcommissaris.

De Commissie van toezicht doet veel concrete vaststellingen en heeft aandacht voor de menselijke warmte die opvoeders aan de dag leggen in moeilijke omstandigheden.

Bij bepaalde concrete vaststellingen zal u vragen stellen die misschien neigen naar verontwaardiging. Sommige vaststellingen zijn niet nieuw, andere weer wel. Bij bepaalde vaststellingen kan over het gewenste gevolg weinig twijfel bestaan, bij weer andere moet zeker de nodige nuancering aan de dag worden gelegd en ligt de oplossing niet zomaar voor het grijpen.

Het is bovenal de verantwoordelijkheid van velen om ruimte voor verbetering te zien of te zoeken en om met de aanbevelingen van de Commissie aan de slag te gaan.

Dames en heren, het venster dat met de Commissie van Toezicht in het leven is geroepen door het Vlaams Parlement is er niet om voyeurisme of onbegrip te voeden.

Veel van de opgetekende vaststellingen zijn ook vaststellingen waar opvoeders mee worstelen en als u het verslag leest, zal u zien dat de dialoog een belangrijk werkinstrument van de maandcommissarissen is. Die dialoog is onontbeerlijk als we verdedigen dat individuele rechtsbescherming van jongeren steunende op grondrechten niet ondergeschikt kan zijn aan een sociaalpedagogisch concept.

Ook al gaat een aanzienlijk voortraject aan de Commissie van toezicht vooraf, de commissie zélf is jong.

Zij verdient onze appreciatie voor de wijze waarop zij op korte termijn haar allerminst evidente opdrachten heeft aangevat en vervuld.

Vandaag geldt het extern toezicht niet voor alle voorzieningen met vormen van vrijheidsbeneming van kinderen en jongeren. Het verruimen van het toepassingsgebied van het decreet, zoals vooropgesteld in het parlementair initiatief, ligt dan ook in de lijn der verwachtingen.                                                                                           

Voor de betrokken voorzieningen mag dit jaarverslag niet echt een verrassing zijn. Het jaarverslag is zoals decretaal voorzien de synthese van de gevalideerde maandelijkse verslagen die de maandcommissarissen hebben uitgebracht. In deze rapporten geeft elke maandcommissaris ook aan of, in welke mate én hoe een betrokken voorziening gevolg geeft aan de aanbevelingen die eerder tot haar gericht waren.

De Commissie van toezicht en haar maandcommissarissen moeten in deze rol uiteraard verder kunnen groeien.

In de toelichting bij het decreet wordt benadrukt dat het extern toezicht en de externe klachtenregeling niet in de eerste plaats worden gezien of benaderd als een onderdeel van het kwaliteitssysteem van de betrokken voorzieningen.

Wél vooraan staat de betrachting om de individuele rechtsbescherming van de betrokken kinderen en jongeren te versterken, en dit overeenkomstig internationale standaarden.

De decretale opdracht van de Commissie van toezicht is dus zeker niet beperkt tot bejegeningsproblemen die zich ruim in een voorziening zouden stellen en waarvoor al dan niet een structurele oorzaak kan worden aangewezen.

Het is dan ook goed in het achterhoofd te houden dat vaststellingen verschillende dimensies kunnen hebben en dat voorzieningen, zo blijkt ook uit het verslag, kunnen verschillen van elkaar. De vaststellingen bij de ene voorziening gaan niet per definitie op voor de andere.

Ook moeten we erkennen dat er bevindingen rond bejegening zijn die het niveau van de voorziening overstijgen en bijkomende beleidsinitiatieven vergen.

Dames en heren, bij dit eerste jaarverslag spreek ik mijn bijzondere waardering uit voor de maandcommissarissen van de Commissie van toezicht. Het extern toezicht staat of valt met hun inzet die – dat mag worden gezegd – onbezoldigd is. Het gaat dus om vrijwilligers. Binnenkomen in een wereld die voor velen gesloten blijft, het vertrouwen winnen van jongeren, medewerkers en directies én naar eer en geweten invulling geven aan een ruim mandaat: het is geen klein engagement.

In het decreet leest u dat de kandidaten over een aantal belangrijke kwaliteiten moeten beschikken, zoals luisterbereidheid en voeling hebben met de leefwereld van kinderen en jongeren en mensenrechten. Welnu, wat er niet staat, is dat zij over een sterke en brede rug moeten beschikken. Het zijn geen anonieme toezichthouders; om het decretale opzet op het terrein te bereiken zetten zij hun persoonlijkheid in. Dat is niet vrijblijvend.

Respect daarvoor !

Dank u

Joke Schauvliege

Vlaams Parlementslid

Welkom bij CD&V. Onze websites maken gebruik van cookies om jouw gebruikservaring te optimaliseren. Lees onze Cookies Policy voor meer informatie. Ons cookiebeleid en deze voorkeuren gelden voor alle CD&V-websites. Door op 'Akkoord' te klikken, ga je akkoord met de geselecteerde cookies.